Lessen en ideeën

Egelpad in De spitkeet

 

In Harkema (Friesland) is een openluchtmuseum en themapark genaamd ‘De Spitkeet’. In dit museum/park kun je van alles te weten komen over hoe mensen in deze omgeving vroeger hebben gewoond en geleefd en hoe de ontwikkeling van de mensen hier is geweest door de jaren heen. 

De omschrijving van ‘De Spitkeet’ staat op hun site als volgt omschreven: 

In het openluchtmuseum en themapark kun je ervaren hoe de mensen op de Friese en Groningse heide woonden, leefden en werkten in de periode 1850-1950. De mensen waren erg arm en de omstandigheden waren erbarmelijk. 

Het museum laat de ontwikkeling zien van het primitieve wonen in plaggenhutten en holwoningen naar het wonen in eenvoudige stenen huizen, de zogenaamde woudhuisjes. Verder staan er onder andere een armenhuis en een kippenhokwoning en is er een armenkerkhof. 

Er is ook een samenwerking met ‘It Fryske Gea’, deze heeft een natuureducatie programma genaamd: ‘pingo & pet’.

 

Voor ‘De Spitkeet’ is het programma: ‘Egelpad in De Spitkeet’ te verkrijgen. Met dit programma leren de kinderen hoe de mensen vroeger leefden en ze leren over de grond, de bomen en de beestjes.  

Aan de hand van een tiental opdrachten gaan de kinderen op onderzoek door het openluchtmuseum en themapark. Maar ook buiten de opdrachten om zijn er genoeg dingen te beleven en te zien. Er zijn een aantal woningen te bezichtigen waarin de ontwikkeling van de woonomstandigheden van de mensen uit de omgeving duidelijk worden gemaakt, ook wordt er gekeken naar de beroepen die er in de omgeving uitgevoerd werden die specifiek waren voor de omgeving. Een impressie hiervan is als laatste te vinden. 

 

Hieronder staat een omschrijving van de opdrachten die er tijdens het programma: ‘Egelpad in De Spitkeet’ gedaan worden. 

 

De eerste opdracht is een hinkelspel. 

Aan de hand van dit hinkelspel wordt er gekeken naar een spel dat door de kinderen gespeeld wordt maar dat al een oorsprong in het verleden heeft. Het accent ligt hierbij op de verbinding tussen hoe ouders/grootouders als kind speelden met hoe er nu gespeeld wordt.

 

Tijdens de tweede opdracht gaan de kinderen natuurproducten zoeken om hiermee een schilderij te maken. Ze krijgen een stuk papier met daarop dubbelzijdig tape. De opdracht die ze hierbij krijgen is dat ze moeten gaan zoeken naar dingen uit de natuur die ze mooi vinden en die dan vastplakken op het papier. Dit is een leuke actieve opdracht waarbij de leerlingen in de natuur opzoek gaan naar verschillende dingen die in de natuur te vinden zijn. Denk hierbij aan vormen, kleuren, structuren.

 

Tijdens de derde opdracht gaan de kinderen kijken hoe de mensen vroeger woonden en leefden. Er is een holwoning waar de kinderen naar binnen kunnen gaan en kijken wat er in die tijd beschikbaar was in een woning. Bij deze opdracht moeten de kinderen dingen rond de holwoning uit de natuur verzamelen om een schuilplek voor een egel te maken. Bij deze opdracht gaan de kinderen bezig met het maken van een constructie met natuurproducten.

 

Opdracht vier staat in het teken van ervaren. De kinderen gaan in twee bakken het verschil voelen tussen zand en aarde. Er wordt ook gekeken naar eigenschappen van zand en aarde. Bij deze opdracht staat een plaggenhut waar de kinderen kunnen kijken hoe de mensen vroeger hun woning bouwden van heideplaggen en hoe deze er van binnen uitziet.

 

Bij opdracht vijf krijgen de kinderen inzicht in de manier waarop de mensen vroeger woonden en de gezinssamenstelling. Er wordt gekeken naar de grootte van de gezinnen en die wordt vergeleken met de gezinsgrootte van tegenwoordig.

Met behulp van papier en wasco wordt er bij opdracht zes gezocht naar de verschillende structuren die in de natuur te vinden zijn. Met een stuk papier wordt er met wasco een afdruk van verschillende boomschorsen gemaakt om te kijken naar de verschillende structuren van de barst.

De kinderen gaan tijdens opdracht zeven met behulp van een zoekkaart en loeppotje op zoek naar de verschillende ‘kriebelbeestjes’ die er in de omgeving te vinden zijn.

Opdracht acht is een puzzelopdracht. De kinderen moeten puzzels oplossen om erachter te komen welke dieren er behalve de egel nog meer in de omgeving voorkomen.

Om met verschillende zintuigen bezig te zijn gaan de kinderen bij opdracht negen op zoek naar verschillende dingen met specifieke kenmerken. De dingen die ze gaan zoeken zijn:

  • Iets groens
  • Iets wat lekker ruikt
  • Iets wat stinkt
  • Een heel klein blaadje
  • Een heel groot blad
  • Iets wat je heel mooi vindt
  • Iets wat je heel lelijk vindt
  • Iets met veel kleur
  • Iets wat niet in de natuur thuishoort

Bij de laatste opdracht maken de kinderen kennis met een spel dat vroeger gespeeld werd. Het spel heet: ‘Gooi maar in mijn pet’. Bij dit spel is het de bedoeling dat de kinderen een pet op de grond neerleggen en vanaf een afstand van twee meter proberen een bal in de pet te gooien. De kinderen worden hierbij bewust gemaakt in het verschil tussen de beschikbare spelmaterialen van vroeger en nu.

Boswachterles

Een leuke les om te combineren met het lezen van een boek. Is een les in combinatie met het boek: 'Tim de kleine boswachter'. Na het (voor)lezen van het boek kan een goede overgang gemaakt worden naar een les met het maken van een hut met behulp van natuurproducten. 

Tijdens deze les leren de kinderen geschikte bouwmaterialen uit de natuur te zoeken en ze zijn bezig met het ontdekken van constructies waarmee ze een hut (bouwwerk) kunnen maken. Het is een les waarmee je een leuke overgang kunt maken van 'in' de klas naar 'buiten' de klas.

 

Ik heb deze les als afsluiting gedaan van het 'egelpad in de spitkeet', ter voorbereiding op deze Les is het boek 'Tim de kleine boswachter' voorgelezen in de klas. De leerlingen zijn opzoek gegaan naar diverse materialen die er in de omgeving te vinden waren en hebben daar hun eigen schuilplaats/hut van gemaakt. Hieronder staat een foto om een impressie te krijgen van de werkwijze en de resultaten.

The first Lego League

Ik heb een aantal keren leerlingen mogen ondersteunen als coach bij de First Lego League. dit project kan worden opgesplitst in twee delen. Het eerste deel bestaat uit een probleemstelling, de leerlingen moeten gaan zoeken naar een mogelijke oplossing. Voorbeelden hiervan zijn: een oplossing bedenken voor het afvalprobleem, het ontwerpen van gebouwen voor de toekomst en wat er nodig is om voor langere tijd te overleven in de ruimte. Het tweede deel is een robotwedstrijd, in deze wedstrijd moeten de deelnemers een robot ontwerpen en programmeren die specifieke opdrachten kan uitvoeren. Dit is een uitdagend project voor de leerlingen. De leerlingen zijn bezig met onderzoek, probleemoplossing en presenteren. Tijdens dit project staan de Core values centraal in alles wat de leerlingen doen, deze zijn verderop op deze pagina te vinden.

 

Ter voorbereiding op de First Lego League heb ik lessen verzorgt voor het programmeren van de Lego-robot die de leerlingen voor de robotwedstrijd gebruikten. De lessen die ik hiervoor gebruikt heb zijn te vinden op: www.degeflipteklas.nl. Voor het ontwerpen van de wedstrijdrobot heb ik de leerlingen ondersteuning gegeven door de leerlingen technische basisprincipes te leren/laten zien, zoals tandwiel overbrengingen en hefbomen. Hiervoor heb ik Lego education gebruikt, met deze lego-doos leren de leerlingen basisprincipes en gaan ze onderzoeken wat er gebeurt als je bepaalde onderdelen veranderd. Een voorbeeld hiervan is het veranderen van de diameter van de wielen op een auto.

 

 

Core Values

Tijdens het werken met dit project wordt er gewerkt aan een aantal kerndoelen voor het Primair Onderwijs. 

Kerndoelen

 

Nederlands Mondeling onderwijs

  1. De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

  2. De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.

  3. De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

Voor het onderzoek dienen de leerlingen in gesprek te gaan met experts om informatie te verzamelen. Hiervoor moeten zij vooraf de juiste vragen opstellen. Daarnaast communiceren de leerlingen met elkaar in een team. Ze werken aan hun mondelinge taalvaardigheid door te overleggen, te discussiëren en ervaringen en meningsverschillen te delen. Tijdens de presentatie van het project op de finales geven de leerlingen uitleg over hun onderzoek en hun oplossing.

Schriftelijk onderwijs

  1. De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen.

  2. De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen.

  3. De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.

  4. De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en te beoordelen in verschillende teksten.

  5. De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.

De leerlingen worden uitgedaagd zelfstandig informatie te verzamelen over het project in boeken, op internet en via specialisten op het betreffende gebied. Ze moeten daarbij de juiste informatie leren selecteren, verifiëren en beoordelen. Ze gaan na of de oplossing die zij hebben bedacht al bestaat door diverse bronnen te raadplegen. Hieruit moeten de leerlingen de meest relevante informatie kunnen halen

en hoofdzaken scheiden van bijzaken. Deze informatie gebruiken zij voor het schrijven van verslagen, een logboek, samenvattingen en eventueel nieuwsbrieven.

Taalbeschouwing

  1. De leerlingen leren bij de doelen onder ‘mondeling taalonderwijs’ en ‘schriftelijk taalonderwijs’ strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.

  2. De leerlingen leren een aantal taalkundige principes en regels. Zij kunnen in een zin het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden. De leerlingen kennen:

    • regels voor het spellen van werkwoorden;

    • regels voor het spellen van andere woorden dan werkwoorden;

    • regels voor het gebruik van leestekens.

  3. De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor

    hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

De leerlingen leren uit gesproken en schriftelijke taal de juiste informatie te selecteren en te beoordelen. Ze leren hoofd- en bijzaken te scheiden. Bij het schrijven van de teksten leren ze taalkundige principes en regels toe te passen. Er zijn teams die bijvoorbeeld een logboek en website bijhouden en persberichten en verslagen schrijven. Zij zijn dus in deze context continu bezig met taal en leren daardoor ook nieuwe woorden. Begrip ontstaat zo uit de context. Als je in een tekst een onbekend woord tegenkomt, kun je vaak uit de zinnen er omheen afleiden wat het woord betekent. Zo is het ook met begrippen in wetenschap en techniek. Kinderen leren begrippen gemakkelijker vanuit een betekenisvolle context dan vanuit abstracte definities en formules. De FIRST LEGO League is in die zin een uitstekende context om de taalontwikkeling bij kinderen te stimuleren.

Engels

  1. De leerlingen leren informatie te verwerven uit eenvoudige gesproken en geschreven Engelse teksten.

  2. De leerlingen leren in het Engels informatie te vragen of geven over eenvoudige onderwerpen en zij ontwikkelen een attitude waarbij ze zich durven uit te drukken in die taal.

De leerlingen kunnen voor hun onderzoek gebruik maken van een overzicht van eventueel te raadplegen bronnen. Een aantal van deze bronnen is Engelstalig. De FIRST LEGO League is een internationaal programma. Voor teams die dat willen, bestaat er de mogelijkheid een samenwerking aan te gaan met een buitenlands team. Leerlingen leren hierdoor in het Engels informatie te vragen of te geven en ervaringen te delen. Tijdens internationale toernooien communiceren en presenteren de teams ook in het Engels.

Rekenen/wiskunde
Wiskundig inzicht en handelen

  1. De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.

  2. De leerlingen leren praktische en formele rekenwiskundige problemen op te lossen en

    redeneringen helder weer te geven.

  3. De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van rekenwiskundeproblemen te onderbouwen en

    leren oplossingen te beoordelen.

De leerlingen moeten de robot zo programmeren, dat deze zoveel mogelijk opdrachten (missies) kan volbrengen in 2,5 minuut speeltijd. Zij passen hiervoor al schattend redeneerstrategieën toe en combineren diverse opdrachten. De leerlingen maken wiskundige berekeningen (bepalen van de omtrek van het wiel van de robot, bepalen van de omtrek van de kleine draaicirkel en de relatie tussen al deze zaken), zodat de robot in staat is exacte bewegingen uit te voeren.

Getallen en bewerkingen

  1. De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.

  2. De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.

  3. De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.

  4. De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

  5. De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of

    minder verkorte standaardprocedures.

  6. De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

Voor het programmeren van hun robot moeten de leerlingen berekeningen maken in graden, afstanden, omwentelingen en seconden. Daarnaast leren de leerlingen punten te noteren en scorestanden bij te houden.

Meten en meetkunde

  1. De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.

  2. De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte,

    omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

Bij het programmeren van de robot zijn de leerlingen bezig met het meten van snelheid en graden. De leerlingen denken bijvoorbeeld na over hoeveel graden de robot moet draaien om een bocht te maken. Ze meten de tijd die de robot nodig heeft om een missie uit te voeren. Verder leren ze rotaties om te zetten in afstanden.

Oriëntatie op jezelf en de wereld Mens en samenleving

34. De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen. 39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.

Het projectonderzoek dwingt de leerlingen na te denken over het onderwerp. De kinderen worden zich daardoor bewust van de manier waarop zij zelf met het probleem of vraagstuk omgaan en ze leren op welke wijze ze zelf bij kunnen dragen aan de samenleving.

Natuur en techniek

42. De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.

  1. De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.

  2. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.

De leerlingen worden onder andere beoordeeld op de stevigheid en stabiliteit van hun robot. Ze leren relaties te leggen tussen de werking, de vorm en materiaalgebruik. Zo moeten zij nadenken over de onderdelen (katrollen, hefbomen en tandwielen) die ze gebruiken bij het bouwen en ontwerpen van hun robot en de werking hiervan. Kracht speelt hierbij een belangrijke rol. De leerlingen leren dat snelheid (kracht) en nauwkeurigheid niet altijd samen gaan. Ze leren bovendien gebruik te maken van tast-, kleuren- en/of lichtsensoren. Door het onderzoek worden de leerlingen ook gestimuleerd na te denken over het gebruik en de toepassing van technische middelen. De kinderen worden uitgedaagd een innovatieve oplossing te bedenken en eventueel een prototype te ontwerpen voor een technisch vraagstuk.

Ruimte

47. De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen- en buitenland, vanuit de perspectieven landschap, wonen, werken, bestuur, verkeer, recreatie, welvaart, cultuur en levensbeschouwing. In ieder geval wordt daarbij

aandacht besteed aan twee lidstaten van de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid werden, de Verenigde Staten en een land in Azië, Afrika en Zuid-Amerika.

Voor het projectonderzoek en de analyse van het probleem kan een team de eigen situatie vergelijken met een situatie elders op de wereld. Hoe gaan ze daar met het probleem om? Dit kan door de geografische ligging, de infrastructuur en/of het welzijn van het onderzoeksgebied enorm verschillen.

Kunstzinnige oriëntatie

54. De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.

55. De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

Een belangrijk onderdeel binnen het project is het presenteren en delen van het onderzoek en de oplossing. De teams mogen zelf bepalen op welke wijze zij presenteren, dit kan in de vorm van een toneelstuk, een lied of rap, een PowerPoint enzovoort. De leerlingen leren zich hierdoor uit te drukken in tekst en beeld en zichzelf te presenteren aan een publiek. Een ander belangrijk onderdeel is reflectie op eigen werk en dat van anderen. Leerlingen worden zich bewust van hun eigen leerproces. Ze ontwikkelen daarbij kennis over hun eigen leermogelijkheden.

 

De Techniek Torens

Gedurende een aantal schooljaren heb ik de leerlingen van groep 1-2, 3, 7 en 8 ondersteund door het geven technieklessen. Hiervoor heb ik de methode gebruikt die op de school aanwezig is. De methode die ik gebruikt heb is: De Techniek Torens. Dit zijn een drietal torens zijn opgedeeld in onderbouw, middenbouw en bovenbouw. In deze torens zitten een aantal dozen met daarin materiaal waarmee een specifiek onderwerp onderzocht kan worden. Er wordt op een experimenterende en onderzoekende wijze gewerkt aan diverse kerndoelen.

Door de manier waarop deze methode opgebouwd is en de documentatie die erbij aanwezig is, zijn deze lessen uitstekend te gebruiken. 

Rube Goldberg (Kettingreactie)

Dit is een lessenserie van drie lessen die ik heb ontworpen voor de groepen 7 en 8, maar ze zijn ook prima in te zetten vanaf groep 4.

Tijdens deze lessen gaan de leerlingen aan de slag met het maken van een Rube Goldberg machine.

Ze leren aan de hand van het ontwerpend leren een kettingreactie te maken. Hiermee werken ze aan hun makershouding en leren ze door samen te werken gebruik te maken van elkaars talenten.

Feedback en reflectie

Onderstaande is de feedback die ik op mijn lessen gekregen heb en mijn reflectie op die feedback.

* Veel doelen hoe ga je die borgen?

1. De leerling kan experimenteren met verschillende materialen en
technieken en ontdekt hoe iets werkt om later toe te passen in
eigen werk;

De leerlingen gaan tijdens les 2 bezig met het maken van hun deel van de kettingreactie. Tijdens deze les worden de bevindingen en eventuele aanpassingen vastgelegd in hun werkboekje. Tijdens les 3 gaan ze hun bevindingen van les 2 toepassen en uitvoeren. 


2. De leerling is nieuwsgierig, stelt vragen;

Gedurende de lessen is het een proces van vragen stellen, openlijk of naar zichzelf, om de kettingreactie tot stand te brengen.


3. De leerling leert samenwerken: deelt kennis, helpt anderen,
verdeelt taken, doet wat is afgesproken, doet mee, neemt
verantwoordelijkheid;

De leerlingen werken in groepen van twee- of drietallen, en is door de opzet van het lesonderwerp verplicht om samen te werken om tot een resultaat te komen.

 

 

4. De leerling kan doorzetten als het moeilijk wordt, is flexibel, toont lef en kan probleemoplossend denken. Kan producten maken,
analyseren en verbeteren;

Het concept van deze lessen is het ontwerpend leren. Hierdoor zijn de leerlingen, door gebruik te maken van het werkboekje van de les, bezig met het behalen van dit doel.


5.De leerling verwondert zich over en laat zich inspireren door verschillende kunstuitingen;

Met dit doel is de leerling bezig tijdens de eerste les. In deze les gaan ze op onderzoek naar voorbeelden om inspiratie op te doen voor hun eigen werk.


6. De leerling kan een idee kiezen, al dan niet samen met anderen;

Aan dit doel werken ze vanaf de eerste les, waarin er een opzet gemaakt wordt voor hun deel van de kettingreactie.  Tijdens de tweede les gaan ze verder om aan dit doel te werken.

 

7. De leerling leert over de relatie tussen vorm en functie;

Door tijdens de tweede les een proefopstelling te maken van hun deel van het eindproduct, en deze uit te testen, werken de leerlingen aan dit doel.


8. De leerling kan kiezen welk gereedschap, materiaal of techniek passend is;

Aan dit doel werken de leerlingen ook tijdens de eerste en tweede les. Tijdens de eerste les maken de leerlingen een ontwerp van het deel van de kettingreactie die zij gaan maken, ook maken ze hierbij een materialenlijst van de voorwerpen/materialen die ze nodig hebben. Tijdens de tweede les gaan ze deze materialen uittesten en eventueel aanpassen.

 

* Woord klooien vervangen

Ik heb het woord klooien in de lesbrief vervangen door experimenteren.

 

* Wat wil je minimaal afhebben na les 1?

Aan het einde van les 1 moeten de leerlingen een concept hebben van het deel van de kettingreactie die zij gaan maken samen met een lijst met benodigdheden die ze nodig hebben voor les 2. Deze benodigdheden zijn bedoeld als basis en kunnen tijdens les 2 nog aangepast/aangevuld worden.

Waterdichtheid

Dit is een les die is ontworpen om gebruikt te worden in de groepen 1 t/m 3.

Gedurende deze les gaan de leerlingen aan de hand van onderzoekend leren dingen onderzoeken met betrekking tot waterdichtheid. Tevens gaan de leerlingen in de aanloop tot het leerdoel bezig met de seizoenen van het jaar en de kleding die daarbij hoort.

Feedback en reflectie

* Kenmerken op het bord: is dat wel relevant voor groep 1/2/3?

Het is wel relevant om de verschillen in beeld te brengen voor de leerlingen, maar voor de groepen 1/2 en drie is het verstandiger om dit visueel te doen aan de hand van het verdelen van de fysieke kleding in groepen. Het gebruik van een verdeling op een stuk papier of op het bord is wel mogelijk maar dan is het verstandiger om gebruik te maken van symbolen of afbeeldingen.

 

* Laat zoveel mogelijk kinderen onderzoeken en hoe ga je het dan vervolgen? Het bord? of ....

Tijdens deze les is de interactie tussen de leerlingen, en tussen de leerlingen en de leerkracht erg belangrijk. Na het onderzoeken kan er een kringgesprek gestart worden waarin de leerkracht vragen stelt over de verschillende eigenschappen van de voorwerpen en aansluitend hierop kan ervoor gekozen worden om de leerlingen de voorwerpen te scheiden op de verschillende eigenschappen. De leerlingen leggen de kleren die in het begin van de les geïntroduceerd worden op verschillende stapels die aangegeven worden door een afbeelding van de verschillende seizoenen. De kleding die gebruikt wordt voor het deel van de les waarin er onderzocht wordt welk kledingstuk wel of niet waterdicht is, worden ook verdeeld in verschillende stapels. Deze kunnen aangegeven worden aan de hand van een afbeelding. Het vervolg zal plaatsvinden in de kring waar de verschillende bevindingen gedeeld worden.

Maak jouw eigen website met JouwWeb